Warda: Roman uit het oude Egypte. Georg Ebers

Чтение книги онлайн.

Читать онлайн книгу Warda: Roman uit het oude Egypte - Georg Ebers страница 28

Warda: Roman uit het oude Egypte - Georg Ebers

Скачать книгу

te ontkleeden en de lampen in zijn vertrek te doen uitblusschen.

      Onrustige droomen benauwden zijn gemoed. Toen de morgen begon te schemeren gaf hij, door een akelig droombeeld beangstigd, zulk een rauwen gil, dat de oude neger, die zich naast den hond vóor zijn bed had neergelegd, verschrikt opsprong en hem bij zijn naam riep om hem wakker te maken, terwijl de dog luid begon te huilen. Paäker werd wakker met zware hoofdpijn. Het droomgezicht, dat hem zoo beangstigd had, stond hem levendig voor den geest, en hij trachtte het vast te houden, tot hij een Horoscoop zou hebben doen ontbieden om het uit te leggen. Na de phantasieën van den vorigen avond, die hem het uitzicht hadden geopend op de vervulling zijner wenschen, gevoelde hij zich neerslachtig en bedrukt. De morgenhymnen uit den Amonstempel drongen als eene vermanende stem tot zijn vertrek door, en hij zette alle zondige gedachten van zich, met het voornemen de beslissing van zijn lot weder aan de goden over te laten en zich van alle tooverkunsten te onthouden. Als naar gewoonte daalde hij af in het voor hem gereed gemaakte bad. Terwijl het lauwe water hem omspoelde, dacht hij met klimmende levendigheid aan Nefert en aan den tooverdrank, dien hij haar eerst niet had willen inschenken, maar dien hij haar toch werkelijk had toegereikt, en die nu reeds kon gewerkt hebben. De liefde tooverde rooskleurige, de haat bloedroode beelden voor zijne oogen. Hij spande zijne krachten in om zich los te maken uit het net van verzoekingen, dat hem al vaster en vaster scheen te omklemmen; doch het ging hem als den man, die in een moeras is geraakt en dieper zinkt, hoe meer moeite hij doet om zich uit den modder te werken. Met het klimmen der zon steeg ook zijn levensmoed en zijn zelfvertrouwen. Toen hij zich gereed maakte in zijn kostbaarst kleed zijn huis te verlaten, was hij weder gestemd als gisteren avond, en stond zijn besluit vast, zonder, en als het zijn moest zelfs in weerwil van de goden, zijn doel na te streven.

      De Mohar had zijn weg gekozen, en hij keerde nooit om, als hij eene wandeltocht was begonnen.

      NEGENDE HOOFDSTUK

      De zon stond ter middaghoogte. Hare stralen vonden geen toegang tot de nauwe schaduwrijke straten van de woonstad Thebe, maar zij brandden met verzengende hitte op den breeden weg van den dijk, die naar het koninklijk paleis voerde en in den regel op dit uur niet zeer bevolkt was. Maar op dienzelfden weg verdrongen zich heden wagens en voetgangers, ruiters en dragers van draagstoelen. De wandelaars kwamen niet enkel uit de stad, maar ook van de havenzijde, waar de booten gewoonlijk de bewoners der Nekropolis aan wal zetten. Op sommige plaatsen goten negers uit lederen zakken water op den weg, maar er was zoo geweldig veel stof, dat de straat en al wat zich daarop bewoog in een drogen nevel werd gehuld.

      De residentie van den pharao verkeerde in buitengewone beweging, want als een loopend vuur, door een stormwind aangeblazen, had zich een gerucht verbreid, dat de hutten der armen zoowel als de paleizen der aanzienlijken met hoop en vrees vervulde. Vroeg in den morgen waren drie boden te paard met zwaar beladen briefzakken83 uit het leger des konings gekomen, en vóor het paleis van den stadhouder afgestegen. Evenals de dorpsbewoners na lange droogte naar de zwarte onweerswolken zien, die zich boven hun hoofd samenpakken, waaruit verkwikkende regen, maar ook de vernielende bliksem en de verpletterende hagel te voorschijn kunnen komen, zoo verkeerden de burgers in angstige spanning en in blijde verwachting, zoo vaak er tijdingen kwamen van het oorlogstooneel, iets wat maar zelden en met onregelmatige tusschenpoozen gebeurde. Er was toch geen huis in de reusachtige stad, dat niet een vader, een zoon of een bloedverwant had gezonden naar het leger, dat in het verre noordoosten onder den koning streed. Wel is waar brachten de boden uit het kamp meer droeve dan blijde berichten over. De schriftrollen die zij bij zich droegen, hielden gewoonlijk kennisgevingen in van dood en verwonding, maar zelden van bevorderingen, koninklijke geschenken en behaalden buit. Dit nam niet weg, dat zij toch met smachtend verlangen werden te gemoet gezien en met gejuich ontvangen. Na de aankomst snelden groot en klein naar het paleis van den stadhouder; men verdrong zich om de schrijvers, die de ontvangen brieven uitdeelden, en de berichten voor openlijke mededeeling bestemd, alsmede de lijsten der gevallenen, of die op eene andere wijze bezweken waren, voorlazen. Er is voor een mensch niets pijnlijker dan de onzekerheid, en meestal ziet hij de slechte tijding met grooter spanning dan de goede te gemoet. Ongeluksboden rijden ook sneller, dan zij die goede dingen te verkondigen hebben.

      De stadhouder Ani hield zijn verblijf in een zijgebouw van het koninklijk paleis. Zijne bureelen omgaven een onafzienbaar ruim plein. In de talrijke vertrekken, die allen op het plein uitkwamen, zaten een menigte schrijvers onder opzichters te werken. Aan de achterzijde van den open hof zag men eene overdekte, door zuilen gedragene en van voren geopende ruimte, die veel op eene veranda geleek. Hier was Ani gewoon recht te spreken, beambten, boden en smeekelingen te ontvangen. Ook heden zat hij in deze vestibule, zichtbaar voor alle aanwezigen, omgeven door een talrijk gevolg, op een kostbaren troon. Hij liet zijn oog gaan over de volksmenigte, bij troepen door de hooge poort in den hof toegelaten door wachters met lange staven, die ze ook weder uitgeleide deden. Wat hij zag en hoorde was niet zeer opwekkend, want uit elke groep, die een schrijver omgaf, hoorde hij weeklachten opgaan. Zij die te vertellen hadden van buit, aan hunne bloedverwanten ten deel gevallen, waren wel te tellen. Een onzichtbare band, uit jammer en tranen geweven, scheen het grootste deel van die hierheen gekomen waren te verbinden. Hier stonden weeklagende mannen, die stof over hun hoofd wierpen, daar scheurden vrouwen hare kleederen, terwijl zij bitter schreiden en onder het zwaaien met den sluier uitkreten: »Ach mijn man!” »Ach mijn vader!” »Ach mijn broeder!” – Ouders, die het bericht ontvingen van den dood van hun zoon, vielen elkander weenend om den hals; grijsaards rukten zich de baard- en hoofdharen uit; jonge vrouwen sloegen zich op het hoofd en den boezem, of vielen den voorlezenden schrijver op ’t lijf, om met eigen oogen de namen te lezen der geliefden, die van hen waren weggerukt. Hartstochtelijke zielsaandoeningen, hetzij dat ze uit vreugde of uit smart worden geboren, dekken wij met een sluier, waaraan men in dien tijd geene behoefte gevoelde.

      Ter plaatse waar de klachten het luidst werden vernomen, vertoonde zich een mannetje, dat rusteloos van de eene groep naar de andere liep. Het was Nemoe, de dwerg van Katoeti, dien wij reeds kennen. Hij stond nu naast eene vrouw uit den aanzienlijken stand, die baadde in haar tranen, omdat haar echtgenoot in den laatsten slag gesneuveld was. »Kunt gij lezen?” vroeg hij haar. »Daar boven aan de architraaf staat de naam van Ramses, met al zijne titels. Schenker des levens noemt hij zich! Nu ja! hij weet wat nieuws te maken: weduwen bedoel ik, wier mannen hij laat slachten.”

      Eer de verbaasde vrouw hem antwoorden kon, stond hij bij een diep bedroefd man, en zeide, terwijl hij hem aan zijn kleed trok: »Flinker jongen dan uw gevallen zoon heeft men nooit in Thebe gezien. Laat uw jongste verhongeren of sla hem kreupel, anders slepen ze hem ook naar Syrië, want Ramses heeft veel gezond Egyptisch vleesch noodig voor de Syrische gieren.”

      De oude, die tot dusver daar had gestaan in stille berusting, balde de vuist; maar de dwerg vervolgde, terwijl hij op den stadhouder wees: »Wanneer die dáar den schepter zwaaide, zouden er geene weezen en bedelaars meer zijn aan den Nijl. Heden is het heilige water van den stroom nog zoet, maar weldra zal het ziltig smaken als de noordelijke zee, van al de tranen, die aan zijne oevers worden vergoten.”

      Het was alsof de stadhouder deze woorden had gehoord, want hij stond van zijn troon op, en hief als een weeklagende zijne handen omhoog. Velen der aanwezigen merkten deze beweging op, en luide jammerkreten vervulden het plein, dat de soldaten weder deden ontruimen, om plaats te maken voor andere volksscharen, die zich aan de poort verdrongen.

      Terwijl deze zich opnieuw rondom de schrijvers groepeerden, zat de stadhouder Ani met kalme waardigheid op zijn troon, door zijn gevolg en zijne schrijvers omgeven, en verleende audientie. Hij was een man van ruim veertig jaren en ’s konings eigen neef. Ramses I, de grootvader van den tegenwoordigen pharao, had het wettig koningshuis doen vallen, en zich door overweldiging van de kroon der pharao’s meester gemaakt. Hij was gesproten uit een Semitisch geslacht, dat na de verdrijving der Hyksos84 in Egypte was gebleven, en onder Thotmes en Amenophis zich door dapperheid had onderscheiden. Na zijn dood volgde zijn zoon Seti hem op, die zich het wettig recht op den troon zocht te verzekeren door Toeaä, de kleindochter van Amenophis III, tot vrouw te nemen. Zij schonk hem

Скачать книгу


<p>83</p>

De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven, waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor in hunne taal het woord „faï sjaat.” Vgl. het voortreffelijk geschrift van Maspero, Du genre épistolaire chez les anciens Egyptiens de l’époque pharaonique.

<p>84</p>

Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude wettige geslacht der pharao’s, die gedurende dien tijd zich tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd werden.