De Roode Pimpernel. Emma Orczy
Чтение книги онлайн.
Читать онлайн книгу De Roode Pimpernel - Emma Orczy страница 8
„Tegen hoe laat verwacht u Sir Percy en Lady Blakeney?” gelukte het hem den kastelein ongemerkt toe te fluisteren.
„Zij kunnen ieder oogenblik hier wezen, milord,” fluisterde Jellyband insgelijks.
Hij had dit nauwelijks gezegd, of men hoorde in de verte het rollen van een naderend rijtuig, luider en luider werd het vernomen, een of twee waarschuwingen kon men verstaan, daarop klonk het getrappel van paardenhoeven op de ruwe keien, en in het volgend oogenblik stormde een staljongen de gelagkamer binnen met den opgewonden uitroep:
„Sir Percy Blakeney en Milady zijn in aantocht!”
Nog meer kreten, ondermengd met een gerinkel van harnachement, en een prachtige reiswagen, door vier kranige schimmels getrokken, hield voor het hek van „Visscherswelvaren” stil.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Marguerite
In minder dan geen tijd was de gezellige gelagkamer het tooneel van hopelooze verwarring en ongerieflijkheid. Op het eerste bericht van den staljongen was Lord Anthony van zijn stoel opgesprongen en gaf hij allerlei aanwijzingen aan den beteuterden Jellyband, die niet wist, wat hij zou beginnen.
„Om godswil, man,” riep hij, „zie, dat je Lady Blakeney een oogenblik buiten aan den praat houdt, onderwijl de dames hier zich verwijderen. Dit treft al heel ongelukkig!”
„Gauw, Sally! de kaarsen!” schreeuwde Jellyband, heen en weer loopend tot ieders ongerief.
De Comtesse was opgestaan, deftig en stijf, een vergeefsche poging doende om haar opwinding te verbergen en werktuigelijk herhalend:
„Ik wil haar niet ontmoeten!—Ik wil haar niet ontmoeten!”
Daarbuiten nam de herrie, waarmee de aankomst van voorname gasten altijd gepaard gaat, meer en meer toe.
„Dag Sir Percy!—Welkom, Milady! Uw dienaar, Sir Percy!” klonk het in koor.
Jellyband wierp de deur open, altijd nog hopende het naderend onweer te bezweren, toen een zachte muzikale stem met vroolijken lach en gemaakte ontsteltenis zei:
„B-r-r-r-r! Ik ben druipnat! Goeje hemel! heb je ooit zoo’n ellendig klimaat gezien?”
„Suzanne, ga terstond met mij mee—ik sta er op!” zei de Comtesse op gebiedenden toon.
„Och, mama!” smeekte Suzanne, die haar oude schoolkameraad hoopte weer te zien.
„Milady… hm… h’m.... Milady!…” kwam het met zwak stemgeluid uit Jellyband’s keel, terwijl hij een onhandige hopelooze poging deed haar den doorgang te versperren.
„Pardieu, man,” zei Lady Blakeney, ietwat ongeduldig, „wat sta je me daar als een lantaarnpaal in den weg. Laat me alsjeblieft bij het vuur, ik verga van de kou.”
En kort daarop, na den gastheer zachtkens op zijde te hebben geduwd, zweefde Blakeney de gelagkamer binnen.
Er bestaan veel portretten van Marguerite St. Just—destijds Lady Blakeney, doch te betwijfelen valt het, of deze haar buitengewone schoonheid hebben recht doen wedervaren. Marguerite Blakeney telde toen nauwelijks vijfentwintig lentes. Rijzig, boven de middelmaat, met een prachtig figuur, was het niet te verwonderen, dat zelfs de Comtesse de Tournay de Basserive een oogenblik in bewondering staan bleef, alvorens zij de betooverende verschijning den rug toekeerde.
Met een vluchtigen blik door het vertrek, had Marguerite Blakeney alle aanwezigen gemonsterd. Zij knikte vriendelijk tegen Sir Andrew Foulkes en stak Lord Anthony de hand toe.
„Hallo! Milord Thony, wel, wat doet u hier in Dover?” klonk het vroolijk van haar lippen.
En zonder een antwoord af te wachten, keerde zij zich om en stond ze van aangezicht tot aangezicht tegenover de Comtesse en Suzanne. Geheel haar gelaat straalde warmer, toen ze beide armen naar het jonge meisje uitstrekte.
„Wel, wel! Is dat niet mijn kleine Suzanne? Pardieu, burgeresje, hoe kom—jij zoo in Engeland? En Mevrouw ook!”
Lord Thony en Sir Andrew sloegen met gespannen verwachting het tooneeltje gade. Zij kenden de Franschen maar al te goed, om geen begrip te hebben van den ijzigen trots en bittere verachting, waarmede de oude adel van Frankrijk neerzag op allen, die hadden bijgedragen tot zijn val en vernedering. Armand St. Just, de broeder van de schoone Lady Blakeney, was een vurig republikein. Zijn verdeeldheid met de oude familie St. Cyr—waarvan een derde nimmer de bijzonderheden heeft geweten—kwam tot het toppunt, toen deze laatste ten val was gebracht.
Marguerite stond daar vóór hen met haar fijn gevormde uitgestoken hand, alsof zij door deze eenige daad de veete en het bloed van het laatste tiental jaren wilde uitwisschen.
„Suzanne, ik verbied u tot die vrouw te spreken,” zei de Comtesse op strengen toon, terwijl ze haar hand op den arm harer dochter legde.
Zij zeide dit in het Engelsch, opdat alle aanwezigen het zouden hooren en begrijpen, de twee jonge edellieden, zoowel als de plebejische herbergier en diens dochter. De laatsten stonden letterlijk als aan den grond genageld door de onbeschaamdheid dezer vreemdelinge ten opzichte eener Lady—die nu, als Sir Percy’s gemalin, een Engelsche was geworden en bovendien bekend stond als persoonlijke vriendin van de Prinses van Wales.
Wat betreft Lord Anthony Dewhurst en Sir Andrew Foulkes, hun harten schenen stil te staan na deze onredelijke beleediging. Beiden gluurden haastig naar de deur, waar men een lijzig, doch niet onaangenaam stemgeluid reeds had vernomen.
Alleen Marguerite Blakeney en de Comtesse de Tournay waren onder de aanwezigen schijnbaar niet ontroerd. Laatstgenoemde, hoog opgericht, met streng uiterlijk, de hand nog steeds op den arm harer dochter, scheen de incarnatie van onbuigzamen trots. Een oogenblik was Marguerite’s zacht gelaat wit geworden als het sneeuwblank doekje om haar hals, en een scherp opmerker zou hebben ontwaard, dat haar hand eenigszins beefde.
Maar dit alles was slechts van voorbijgaanden aard; in het volgend oogenblik trok ze haar tengere wenkbrauwen even op en krulden zich haar lippen. Sarkastisch zagen haar heldere blauwe kijkers de gestrenge Comtesse strak in het gelaat, en met een zweem van schouder ophalen:—
„La, la, la, burgeres,” zei ze luchtig, „uit welken hoek waait de wind nu?”
„Wij zijn nu in Engeland, Mevrouw,” antwoordde de Comtesse koud, „en ik heb het recht mijn dochter te verbieden, u de vriendschapshand te reiken. Kom, Suzanne.”
Zij gaf haar dochter een wenk, en zonder Marguerite Blakeney met een blik te verwaardigen, maar met een diepe ouderwetsche buiging voor de twee jonge mannen, zeilde zij majestueus het vertrek uit.
Er heerschte een oogenblik stilte in de oude gelagkamer, nadat de Comtesse, door de kleine Suzanne gevolgd, deze had verlaten. Op Marguerite’s gezicht lag een harde uitdrukking, doch haar trekken ontspanden zich, toen zij den blik ontmoette van haar vriendin. De gehoorzaamheid, aan haar moeder verschuldigd, vergetend, keerde Suzanne zich bij de deur om, snelde terug naar Lady Blakeney, sloeg haar armen om haar hals en kuste haar herhaalde malen. Daarop volgde ze haar